Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Wet financieel statuut van het Koninklijk Huis

 

Artikel 2
1
Indien de Koning overlijdt, ontvangt de overlevende echtgenoot of echtgenote, zolang deze lid is van het koninklijk huis,:
a
gedurende de eerste twee jaren na het overlijden jaarlijks de geldelijke uitkering die hij of zij zou hebben ontvangen indien het overlijden niet zou hebben plaats gehad, vermeerderd met een kwart van het in artikel 1, tweede lid, onder B, vermelde gedeelte van de uitkering van de Koning of, indien één van de wettige nakomelingen van de overleden Koning de minderjarige Koning is, gedurende de periode van diens minderjarigheid binnen de genoemde periode van de eerste twee jaren na het overlijden een jaarlijkse geldelijke uitkering ter hoogte van de uitkering van de vermoedelijke opvolger van de Koning;
b
na de in onderdeel a bedoelde periode van twee jaren na het overlijden een jaarlijkse geldelijke uitkering ter hoogte van de helft van de uitkering van de vermoedelijke opvolger van de Koning of, indien na de in onderdeel a bedoelde periode van twee jaren na het overlijden één of meer van de wettige nakomelingen van de overleden Koning minderjarig is, gedurende de minderjarigheid van deze nakomeling of nakomelingen, een jaarlijkse geldelijke uitkering ter hoogte van de uitkering van de vermoedelijke opvolger van de Koning.
2
Indien de vermoedelijke opvolger van de Koning overlijdt, ontvangt de overlevende echtgenoot of echtgenote, zolang deze lid is van het koninklijk huis,:
a
indien op het moment van overlijden van de vermoedelijke opvolger van de Koning één of meer van diens wettige nakomelingen minderjarig is, gedurende de minderjarigheid van deze nakomeling of nakomelingen een jaarlijkse geldelijke uitkering ter hoogte van de uitkering van de vermoedelijke opvolger van de Koning en na deze periode een jaarlijkse geldelijke uitkering ter hoogte van de helft van de uitkering van de vermoedelijke opvolger van de Koning;
b
indien geen toepassing wordt gegeven aan onderdeel a, gedurende de eerste twee jaren na het overlijden de jaarlijkse geldelijke uitkering die hij of zij zou hebben ontvangen indien het overlijden niet zou hebben plaats gehad, vermeerderd met een kwart van het in artikel 1, tweede lid, onder B, vermelde gedeelte van de uitkering van de vermoedelijke opvolger van de Koning en na deze periode een jaarlijkse geldelijke uitkering ter hoogte van de helft van de uitkering van de vermoedelijke opvolger van de Koning.
3
Indien de Koning die afstand heeft gedaan van het koningschap overlijdt, ontvangt de overlevende echtgenoot of echtgenote, zolang deze lid is van het koninklijk huis,:
a
indien op het moment van overlijden van de Koning die afstand heeft gedaan van het koningschap één of meer van diens wettige nakomelingen minderjarig is, gedurende de minderjarigheid van deze nakomeling of nakomelingen, een jaarlijkse geldelijke uitkering ter hoogte van de uitkering van de vermoedelijke opvolger van de Koning en na deze periode een jaarlijkse geldelijke uitkering ter hoogte van de helft van de uitkering van de vermoedelijke opvolger van de Koning;
b
indien geen toepassing wordt gegeven aan onderdeel a van dit lid, gedurende de eerste twee jaren na het overlijden de jaarlijkse geldelijke uitkering die hij of zij zou hebben ontvangen indien het overlijden niet zou hebben plaats gehad, vermeerderd met een kwart van het in artikel 1, tweede lid, onder B, vermelde gedeelte van de uitkering van de Koning die afstand heeft gedaan van het koningschap en na deze periode een jaarlijkse geldelijke uitkering ter hoogte van de helft van de uitkering van de vermoedelijke opvolger van de Koning.
4
In de in het eerste lid, onder b, en in het tweede lid, onder a en b, genoemde gevallen waarin is bepaald dat de overlevende echtgenoot of echtgenote een jaarlijkse geldelijke uitkering ontvangt ter hoogte van de uitkering van de vermoedelijke opvolger van de Koning onderscheidenlijk ter hoogte van de helft van de uitkering van de vermoedelijke opvolger van de Koning, is het gedeelte van de jaarlijkse geldelijke uitkering dat betrekking heeft op het inkomensbestanddeel in alle gevallen gelijk aan het in artikel 1, tweede lid, onder A, vermelde gedeelte van de uitkering van de vermoedelijke opvolger van de Koning. Het overige gedeelte van de jaarlijkse geldelijke uitkering heeft betrekking op de materiële en personele kosten.
5
In de in het eerste, tweede en derde lid genoemde gevallen waarin is bepaald dat de overlevende echtgenoot of echtgenote gedurende de eerste twee jaar na het overlijden de jaarlijkse geldelijke uitkering ontvangt die hij of zij zou hebben ontvangen indien het overlijden niet zou hebben plaatsgehad, vermeerderd met een kwart van het in artikel 1, tweede lid, onder B, vermelde gedeelte van de uitkering van de overledene alsmede het andere in het eerste lid, onder a, genoemde geval en de overige in het derde lid, onder a en b, genoemde gevallen, is het gedeelte van de jaarlijkse geldelijke uitkering dat betrekking heeft op het inkomensbestanddeel in alle gevallen gelijk aan het in artikel 1, tweede lid, onder A, vermelde gedeelte van de uitkering dat de overlevende echtgenoot of echtgenote ontving voordat het overlijden plaatsvond. Het overige gedeelte van de jaarlijkse geldelijke uitkering heeft betrekking op de materiële en personele kosten.


Jurisprudentie bij dit artikel

  • Hieronder wordt een selectie van de bijbehorende jurisprudentie getoond.

  • Geen resultaten gevonden voor de door u opgegeven zoek termen.
  •